“Mama! Papa! Kom snel! We zitten in de foute zaal!” Zoonlief staat wild gesticulerend beneden in de filmzaal. Net daarvoor was hij wantrouwig naar buiten gelopen. Onze film zou nu ongeveer moeten beginnen. Maar van enig ander publiek is geen sprake. Zucht. Dat komt ervan als je je twee mannen blindelings ‘een’ zaal involgt. En dus rennen we snel naar de zaal ernaast.

De koopjesperiode: het is niet mijn ding. Kleding ligt vervaarlijk opgestapeld of hangt opgepropt in de rekken (op kleur!). Klanten graaien ongegeneerd en laten niet-passende stuks achter waar het hen uitkomt. Niet bepaald mijn favoriete winkelervaring. Toch waag ik me voor de jaarlijkse zomerbreak heel even in het strijdgewoel voor een selectieve zoektocht. Maar die zoektocht draait elke keer op hetzelfde uit.

Het was in Leuven dat ik voor de eerste keer van hem hoorde. Ik zie het nog zo voor me. Ergens redelijk vooraan in mijn gigantische cursus economie, op een linker bladzijde. Daar stond hij, de grafiek die de stelling van mijn vriend Carl Friedrich Gauss illustreert. Alhoewel, mijn vriend? Op dat moment koesterde ik niet zo’n warme gevoelens voor het Duitse wiskundige genie.

Het klinkt misschien raar uit de mond van een copywriter. Maar woorden doen er soms niet toe. Zoals deze week. Breaking news duikt op in de hoek van mijn scherm. Twitter-berichten stromen binnen. De volgende uren zit ik lamgeslagen voor de tv in mijn bureautje. Mijn drukke agenda verdwijnt naar de achtergrond. Als ik al zou willen werken, het lukt nu even niet. Mijn creativiteit laat het afweten. In tegenstelling tot die van enkele marketingjongens.

‘Hallo, hallo, hallo! Henk hier! Ik ben blij je te horen! Ik probeer je al een hele tijd te pakken te krijgen. Maar eindelijk is het dan toch gelukt!’ Ik sta een beetje verbouwereerd met de telefoon in mijn hand. Het enthousiasme aan de andere kant van de lijn is overweldigend. Helaas is het geluksgevoel niet helemaal wederzijds. De enige Henk die ik ken heeft Cowboy als voornaam. Pas als hij de naam van mijn telecomprovider noemt, begint het me te dagen.

Ik ben nogal ongeduldig. Mijn man zou die ‘nogal’ schrappen. Opnieuw dus. Ik ben ongeduldig. Als iets niet snel genoeg gaat naar mijn zin, volgen er al snel gezucht en rollende ogen. Behalve als het gaat om zoonlief. Bij hem blijf ik in zen-modus. Meestal toch. Want soms is te veel … gewoon te veel.