“Mama! Papa! Kom snel! We zitten in de foute zaal!” Zoonlief staat wild gesticulerend beneden in de filmzaal. Net daarvoor was hij wantrouwig naar buiten gelopen. Onze film zou nu ongeveer moeten beginnen. Maar van enig ander publiek is geen sprake. Zucht. Dat komt ervan als je je twee mannen blindelings ‘een’ zaal involgt. En dus rennen we snel naar de zaal ernaast.

Het was een ongewoon zicht, enkele weken geleden. Tijdens een wandeling door ons provinciestadje passeerden we het stadhuis. Dat was voor de helft aan het oog onttrokken door de talrijke nieuws- en satellietwagens op het plein ervoor. Journalisten en fotografen met imposante telelenzen hadden strategisch positie genomen op de tegenoverliggende terrasjes, wachtend op een witte rookpluim of een glimp van een of ander bekend gezicht. Zoonlief was even onder de indruk van de ongewone setting. ‘Is hier misschien een moord gebeurd?’ reageerde hij opgewonden.

Eén blik op onze borden zegt genoeg. Samen met mijn gezinnetje geef ik me over aan de dolce far niente in de Italiaanse truffelstreek. De legendarische (witte) truffel domineert hier enkele weken mijn menu. Zoals net. De huisgemaakte pasta met smeuïge truffelsaus die de patron me voorschotelt aan ons tafeltje op de stadswallen: het is een klassieker waar ik elk jaar naar uitkijk. Restjes maken dan ook geen kans. Alle truffelsmaken worden vakkundig opgelepeld.

De koopjesperiode: het is niet mijn ding. Kleding ligt vervaarlijk opgestapeld of hangt opgepropt in de rekken (op kleur!). Klanten graaien ongegeneerd en laten niet-passende stuks achter waar het hen uitkomt. Niet bepaald mijn favoriete winkelervaring. Toch waag ik me voor de jaarlijkse zomerbreak heel even in het strijdgewoel voor een selectieve zoektocht. Maar die zoektocht draait elke keer op hetzelfde uit.

Het was in Leuven dat ik voor de eerste keer van hem hoorde. Ik zie het nog zo voor me. Ergens redelijk vooraan in mijn gigantische cursus economie, op een linker bladzijde. Daar stond hij, de grafiek die de stelling van mijn vriend Carl Friedrich Gauss illustreert. Alhoewel, mijn vriend? Op dat moment koesterde ik niet zo’n warme gevoelens voor het Duitse wiskundige genie.

Ik gebruik niet dikwijls een uitroepteken. Deze keer bewust wél. Want ze blijven nazinderen: de duizenden uitnodigingen die een grote regeringspartij verstuurde voor een dagje pretpark. Niet omwille van mijn aversie voor pretparken. Wel omdat die uitnodigingen verstuurd werden op naam van de juniors van het gezin.